Einde
Hier sta ik dan, maar niet met de mond vol tanden. (Haha.)
Hier sta ik dan, maar niet met de mond vol tanden. (Haha.)
De Fanfare van de Eerste Liefdesnacht
Eergisteren in Cuba, gisteren bij de Palestijnen en vanaf heden in Nederland.
"Wie wxe4re mein Leben gewesen, wenn ich mein Land nicht verlassen hxe4tte? Hxe4rter, xe4rmlicher, denke ich, aber auch weniger einsam, weniger zerrissen, vielleicht glxfccklich." Agota Kristof (1935-2011)
x93Elke vijf seconden sterft een kind jonger dan tien jaar van de honger. Elke dag verhongeren 37.000 mensen en bijna een miljard mensen zijn permanent ernstig ondervoed. In datzelfde wereldvoedselrapport van de FAO (de Wereldvoedselorganisatie) – waar elk jaar deze cijfers in staan x96 is ook te lezen dat de landbouw in haar huidige fase van ontwikkeling perfect in staat is om het dubbele van de wereldbevolking normaal te voeden. Conclusie: er is geen objectief gebrek, er is ook geen fataliteit voor deze dagelijkse slachtpartij van de honger die in ijzige normaliteit verder gaat.
Een kind dat van honger sterft, werd vermoord.
Sterven gebeurt overal op dezelfde manier. Of het nu in de Somalische vluchtelingenkampen is, in de sloppenwijken van Karachi of de slums van Dhaka, de doodsstrijd doorloopt dezelfde etappes. Bij ondervoede kinderen zet het verval zich na enkele dagen door. Het lichaam gebruikt eerst de suiker- en dan de vetreserves op. De kinderen worden lethargisch en dan alsmaar magerder. Het immuunsysteem gaat onderuit.
Diarree versnelt de uitputting. Mondontstekingen en infecties aan de ademwegen veroorzaken verschrikkelijke pijnen. Dan begint de roofbouw van de spieren. De kinderen kunnen niet meer overeind blijven. Hun armen bengelen krachteloos naast hun lijf. Hun gezicht wordt als dat van oude mensen. Dan volgt de dood.x94
Enzovoorts, maar … aldus mocht Jean Ziegler in de monetaire oekaze die Jodelenburg, Jodenburg, Salzburg of zoiets heet niet spreken.
(Ondertussen viert in het land van nooit solidariteit zonder weerga hoogtij en slaat eindelijk gerechtigheid hard toe.)
En thans.
Heel mijn lichaam, van kop tot teen om het even welke spier elke vezel ieder vaatje lijkt wel aangetast door een leger van viervoeters of duizendpoten. Van de ochtend tot de avond, en heel de nacht is het een kruipen en sluipen, trekken niets ontziende legioenen en op omkoperij beluste horden aan dezelfde gerafelde touwen, ze ontsteken vlammen in mijn armen priemen helse pijnen in mijn borst kennen geen medelijden maken van mijn hoofdbrij goedkope Emmentaler en geen Gruyxe8re, dit herinnert mij aan de Kaashoeve alwaar mevrouw Maes, 1989. Ik lijk wel een gevallen reus die moeizaam rechtop klautert, dan haast voorover tuimelt en achterover valt, maar op wankele wijze toch overeind blijft alhoewel ieder uur en elke seconde op invallen staat, – naar de dokter dan maar? Neen, want op een dag hebben paperassenpaljassen, u weet wel: uit zelfbehoud, en ze zegden: die wordt toch nooit oud. Met de rechterarm trek ik de linkerarm wat naderbij. (Een koolmeesje wipt voorbij zoekt lekkere zaadjes ziet mij, verstandhouding straalt uit onze blik.)
Maandagochtend zeven uur, on the road x85
Ik was geblinddoekt, en liep rondjes. Ik was gebonden aan handen en voeten, en kon geen kant meer uit. Ik tilde vijftig kilogram met xe9xe9n hand, maar er was geen behoefte aan mijn kunnen. Ik schreef gratis en voor niks tien verhalen per dag en nog eens zeven gedichten bovenop, maar was er al een lezer hij vergat zijn bril miste de trein volgde een dood spoor, niemand hield van mij. Ik schoot oudjes ter hulp en riep: kijk uit, maar een agent van politie legde eigenhandig het verkeer lam, tierde donder alom en schoot bliksem naar mij. Ik luidde zo hard als mogelijk de noodklok maar stond voor klepel, ik zaaide wat geen mens wilde oogsten, en hoe harder het bergaf ging hoe dieper in mijn ogen het dal, hoe hoger volgens anderen de berg. Alhoewel.
Het heerlijke gevoel om letterlijk met het hoofd in de wolken te lopen ook al is het maar op 450 meter hoogte is me jaren ontzegd geweest door een al te na-ijverige overheid de naam niet waardig, maar thans: olahoo en joepijee! Niet hoog, maar ver. Weg van hier, maar niet daar. Wat kan regen me deren: de dichtstbijzijnde voedseloekaze bevindt zich op amper tien kilometer, de man die me vriendelijk bejegende kwam uit Argentinixeb, de vrouw die me niet negeerde uit Madagaskar, en daar, neen daar, is dat geen vlucht regenwulpen? Neen, het betreft x85, en ik haal er ooit op straat gevonden Het Beste Vogelboek bij, een schabouwelijke uitgaaf van Readers Digest met afbeeldingen waarvan sommigen in kleur. Ik kuch, en kijk om me heen: zo te zien zijn het vier gaaien, drie spechten, xe9xe9n hermelijn, een hazelaar, pijn in de botten en het recept voor heerlijke jam mjam mjam, – maar in de duizelingwekkende diepte van welke lade heb ik dat recept nu ook alweer geborgen?
Rook en Vuur! Hoeveel namen gingen daaraan niet vooraf: Hagelslag, Ranonkel, Fluim, Ostentatief, Animal Farm, De Graal, De Gele Gier, De Groote Beer, Ursa Major, Het Zinkend Schip, en ik vergeet er opzettelijk nog eens evenveel, en bespaar wie dan ook de lijst van alle andere tot mislukken gedoemde initiatieven die ik ooit vreugdevol opstartte en met een blij gemoed als een kap over de haag gooide. Vluchtheuvels waren het met niets dan illegalen, doodgeboren kinderen waarvan nog drie in leven, en altijd moest ik terug naar Af nooit mocht ik langs de Kassa. (Oh, wat speelde ik als kind graag Monopoly, met Guido en zijn broer Frank, terwijl het buiten pijpenstelen regende en binnen naar kamfer rook. Keer op keer legden ze er mij op, maar zie: Guido is al jaren dood en ik leef nog, Frank was een fan van Uriah Heep en is nu chef de bureau.) Zo is oud worden natuurlijk niet moeilijk, ziek zijn een lachertje, iedere revolutie een fluitje van geen cent.
Het zullen wellicht geen vijfduizend dagen meer zijn die me op deze aarde nog resten, daarom: Rook en Vuur! Meer zeg ik niet, moge dit initiatief het volgende voorafgaan. De plannen zijn groots als vanouds: de uitzichten magistraal en de vooruitzichten, nu ja. Et cetera, et cetera.
Zo is het helaas niet gegaan, maar in mijn ogen wel: het grootste deel van mijn jeugd, zeg van mijn zevende tot mijn negentiende heb ik in weeshuizen en gesloten instellingen doorgebracht, ben ik de speelbal geweest van Piet Pet en Ma Roddel, heb ik ziekte na ziekte tevergeefs op bezoek zitten wachten, een trosje druiven of wat bloemen hadden wonderen kunnen verrichten, maar hoe ongeneeslijk ik me ook waande meer dan een vleugje koorts zat er nooit in. Ook was het niet nodig om op vijf december mijn klompje met wortel klaar te zetten, de Sint had mij al bij mijn geboorte van zijn lijst geschrapt vanwege armlastig en toen in mijn droom de Zwarte met de zak dreigde riep ik: de pot op. (En wat er ook wordt beweerd: een paard heeft de Sint niet, – wist ik veel.) Leuk is anders, maar het ergste moest nog komen, ik voelde me ongewenst en wilde het blijven. Elf jaar was ik al, in bed maakte ik van dekens en lakens een circustent, en Solo Mio of niet daar was ik de flanellen vedette van de avond: deed aan trapeze, sprong door vuur en temde leeuwen. Om negen uur ging het licht uit, plassen moesten we met onze rug tegen de muur – je weet nooit – in een emmer van lichtgroen plastic met kapot deksel, en toen ik in 1991 gevangen zat in de Nieuwe Wandeling werden de lichten weliswaar slechts om tien uur gedoofd maar bleef de deur de hele dag op slot en ook het venster kon niet open. Mijn drie maten lagen in het stapelbed: Rik en Freddy boven, Marcel beneden omwille van zijn rug, ik op de grond. Dat Marcel kleine jongens had lastig gevallen wisten we niet, hij zou wat meegemaakt hebben. Soit.
Ach, waar is het niet, maar weesjongen te zijn, kulderke genoemd te worden, met fierheid droegen wij op zondag de vlag met bravoure speelden wij onze zelfgecomponeerde mars. Het Kulderkenshuis aan de Martelaarslaan is eenieder die van daar is bekend, en nu wordt daar gvd. door vastgoeddieven een residentie opgericht met diezelfde naam, een half miljoen voor een kot waar wie er in woont zot wordt of het al is, terwijl wij alleen op zondag beleg hadden en niet eens wisten wat een badkamer was. Vlakbij zitten dan ook de belastingen (van een dievenbende gesproken) en in Delhaize verderop ben ik eens met een kar vol gerief buiten gereden zonder te betalen, zo druk was het er. Zelf herinner ik me nog het best, maar ik herhaal dat het niet waar is, dikke Bertha die er met de riem op los sloeg, en Thomas die nu boeken vol taalfouten schrijft. Hij was veertien jaar ouder dan ik en is dat nog altijd, hij werd afgeleverd op zijn tweede, was eerst weesjongen tweede klas, dan plots knecht en ten langen leste maar dan was hij al tweexebnveertig vijfde wiel aan de persoonlijke steekkar van de directrice. Dat was nog lang voor de tijd dat Beke burgemeester werd in Gent en ik met mijn fiets op een dag klem raakte in de tramsporen, over de kop sloeg en in het voorbijvliegen een gefortuneerde voetgangster van middelbare leeftijd raakte, maar naar het AZ wenste ik niet want mijn papieren waren niet in orde, – wat? Ik had helemaal geen papieren, ik bestond niet eens, en nu nog is schrijven het liefste wat ik doe, maar het slechtste dat ik kan. (Menigeen fronst nu de wenkbrauwen, maar wat weten ze van mij, hooguit wat ze hier lezen. En dat begrijpen ze dan nog verkeerd, ook al is het slecht bedoeld.) Ha, toen ik mezelf met Sonja Gaga had opgesloten in het kolenkot en ontkennen geen zin had, toen het paard van Dolfke de melkboer op hol sloeg de keer dat ik peper in zijn neusgaten had geblazen, toen deurwaarder Piet het huis van de buren leeghaalde nadat ik een valse naam en een verkeerd adres had opgegeven. Ha!
Et cetera.